Kazen
VerbAuxiliary Verb
hebben
werkwoord
Verwijst meestal naar het proces van het maken of bereiden van kaas.
Infinitief
Ik hou van kazen uit verschillende landen.
Tegenwoordig deelwoord
Ze zijn kazend terwijl ze over de markt lopen.
De kazende mensen kiezen verschillende soorten kaas.
Gebiedende wijs
Kaas, alsjeblieft, snijd je in plakken!
Tegenwoordige tijd
ik
Ik kaas vanmiddag op het feest.
jij / je
Jij kaast altijd met vrienden.
u
U kaast met de beste apparatuur.
hij
Hij kaast de hele dag.
zij / ze
Zij kaast met haar vrienden.
het
Het kaast niet meer zo goed.
wij / we
Wij kaasten gisteren samen.
jullie
Jullie kaasten laatst ook.
Verleden tijd
ik
Ik kaasde vorig jaar voor het eerst.
jij / je
Jij kaasde gisteravond heerlijk.
u
U kaasde op het feestje.
hij
Hij kaasde enthousiast.
zij / ze
Zij kaasde met haar familie.
het
Het kaasde met verschillende soorten.
wij / we
Wij kaasden de hele avond.
jullie
Jullie kaasden vroeger samen.
Voltooid deelwoord
De kaas is gekaasd door de ambachtsman.
Aanvoegende wijs
Als ik maar eens kaze als een professional.