(iemand of iets met kracht raken)
Hij gaf zijn broertje een klap op zijn hoofd.
Ze kreeg een flinke klap in haar gezicht.
De bokser deelde een harde klap uit.
Hij heeft die jongen een klap gegeven en nu heeft hij spijt.
(onverwacht luid geluid horen)
Met een harde klap viel de deur achter hem dicht.
We hoorden een enorme klap op straat.
De klap van de botsing was tot ver in de straat te horen.
(groot verdriet of slecht nieuws)
Het ontslag was een grote klap voor hem.
De dood van haar moeder kwam als een zware klap aan.
Het verlies van zijn baan was een enorme klap voor het hele gezin.
(lichamelijke straf of geweld)
Als kind kreeg hij thuis vaak klappen.
Pas op, straks krijg je klappen van je vader.
Vroeger kregen kinderen op school nog klappen van de meester.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.