Verb

Infinitief

Tegenwoordig deelwoord

  • ik, jij / je, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie

  • ik, jij / je, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie

Tegenwoordige tijd

  • ik

  • jij / je, u

  • hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie

Verleden tijd

  • ik

  • jij / je, u

  • hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie

Voltooid deelwoord

Aanvoegende wijs

Gebiedende wijs

Examples

  • We willen het probleem klaren.

    infinitief, indicative

  • Hij zit klarend aan zijn bureau.

    tegenwoordige tijd, indicative

  • Zij is een klarende auteur.

    tegenwoordige tijd, indicative

  • Ik ben klaar met mijn werk.

    tegenwoordige tijd, indicative

  • Jij klaart de klus vandaag.

    tegenwoordige tijd, indicative

  • Hij klaart zijn taak goed.

    tegenwoordige tijd, indicative

  • Wij klaren alle misverstanden.

    tegenwoordige tijd, indicative

  • Ik klaarde de verwarring gisteren op.

    verleden tijd, indicative

  • Jij klaarde het probleem toen ook op.

    verleden tijd, indicative

  • Zij klaarde de situatie snel.

    verleden tijd, indicative

  • Wij klaarden het debat vorig jaar.

    verleden tijd, indicative

  • Alles is geklaard voor de vergadering.

    voltooid deelwoord, indicative

  • Ik wens dat het probleem klare oplossingen heeft.

    aanvoegende wijs, subjunctive

  • Maak je klaar voor het vertrek!

    gebiedende wijs, imperative