Krijten
VerbInfinitief
Ik wil krijten op de stoep.
Tegenwoordig deelwoord
De kinderen zijn krijtend bezig op de grond.
Ik zag een krijtende leerling in de klas.
Tegenwoordige tijd
ik
Ik krijt een teken op het bord.
jij / je, u, hij, zij / ze, het
Jij krijt te veel lawaai.
wij / we, jullie
Wij krijten met veel plezier.
Verleden tijd
ik
Ik kreet hard toen ik viel.
jij / je, u, hij, zij / ze, het
Hij kreet om hulp.
wij / we, jullie
Wij kreten van blijdschap.
Voltooid deelwoord
De kinderen hebben gekreten van plezier.
Aanvoegende wijs
Als ik daar was, krijte ik om hulp.
Gebiedende wijs
Krijt op het bord!