Ik wil krijten op de stoep.
De kinderen zijn krijtend bezig op de grond.
Ik zag een krijtende leerling in de klas.
ik
Ik krijt een teken op het bord.
jij / je, u, hij, zij / ze, het
Jij krijt te veel lawaai.
wij / we, jullie
Wij krijten met veel plezier.
Ik kreet hard toen ik viel.
Hij kreet om hulp.
Wij kreten van blijdschap.
De kinderen hebben gekreten van plezier.
Als ik daar was, krijte ik om hulp.
Krijt op het bord!