Krijten
VerbAuxiliary Verb
hebben
werkwoord
Het werkwoord 'krijten' betekent het maken van tekeningen met krijt.
Infinitief
Ik hoop dat ik kan krijten met mijn nieuwe krijtjes.
Tegenwoordig deelwoord
De kinderen zijn krijtend op de stoep bezig.
Het krijtende meisje maakte mooie tekeningen.
Tegenwoordig deelwoord
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie
Hij krijt de muur mooi wit.
wij / we, jullie, zij / ze
Wij krijten samen aan het kunstproject.
Verleden tijd
ik, hij, zij / ze, het
Ik krijtte op het bord tijdens de les.
wij / we, jullie, zij / ze
Zij krijtten op de straat toen het begon te regenen.
Voltooid deelwoord
Het plein is gekrijt door de kinderen.
Gebiedende wijs
Krijt mooi en netjes op het bord!
Aanvoegende wijs
Als ik tijd heb, krijte ik een mooie tekening.