Ik houd van kronkelen in het gras.
De hond is kronkelend op het gras.
De kronkelende rivier stroomt door het landschap.
De lichten zijn gekronkeld aan de vroegere gebouwen.
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie
Kronkel met je vinger als je het antwoord weet.
Jij kunt kronkelen als je dat leuk vindt.
u, hij, zij / ze
Hij kronkelt elke zaterdagochtend in het park.
ik, hij, zij / ze
Ik kronkelde tijdens de les.
wij / we, jullie, u
Jullie kronkelden samen op het feest.
Moge je altijd kronkele in geluk.
Kronkel heel voorzichtig om geen blessures te krijgen!
Kronkelt zo hard als je kunt!