Tegenwoordig deelwoord Het lakkend oppervlak ziet er mooi uit.
De lakkende kunstenaar was zeer geconcentreerd.
Tegenwoordige tijd ik
jij / je
Jij lakken alles wat oud is.
u
U lakt het meubelstuk zelf.
hij
Hij lakt de fiets in een andere kleur.
zij / ze
Zij lakt de nagels met een nieuwe kleur.
het
wij / we
Wij lakken de deuren vandaag.
jullie
Jullie lakken de muren samen.
Verleden tijd ik
Ik lakte de kast gisteren.
jij / je
Jij lakten het vorige week.
u
hij
Hij lakte het oppervlak glad.
zij / ze
Zij lakten de vloer onlangs.
het
wij / we
Wij lakten het project af.
jullie
Jullie lakten de meubels samen.
Voltooid deelwoord De kast is gelakt en ziet er mooi uit.
Gebiedende wijs Lakt het project alsjeblieft snel!
Aanvoegende wijs Mogen de meubels goed lakke.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.