Ik wil altijd naar mijn favoriete plek lang reizen.
Ik ben langend op het strand.
De zon is langende, en het wordt avond.
Hij lui is aan het lang en zijn boek aan het lezen.
Zij langt om de hoek en ziet de katten.
ik, jij / je, hij, zij / ze, het
Ik langde gisteren naar het park.
wij / we, jullie
Wij langden samen langs de rivier.
We hebben altijd gelangd naar het rustige strand.
Als ik maar lange kon blijven hier!
Lang op het strand en geniet van de zon!
Langt goed voor jezelf!