Ik hoop dat hij komt; kome langs als het kan.
Als je tijd hebt, langskome dan later.
De langskomend trein vertrekt over vijf minuten.
De langskomende gasten zijn heel vriendelijk.
ik
Ik kom langs om koffie te drinken.
jij / je, u
Jij komt langs om de documenten te brengen.
hij, zij / ze
Zij komt langs voor een afspraak.
wij / we
Wij komen langs om je te helpen.
jullie
Jullie komen langs voor een feestje.
het
De pakketbezorger komt langs vandaag.
Langskom snel, we wachten op je.
Je kunt langskomen wanneer je wilt.
Het komt langs als het regent.
wij / we, jullie
We kwamen langs om te vragen hoe het ging.
Ik kwam langs voor het overleg.
Hij kwam langs om te helpen.
Zij langskwam gisteren onverwachts.
Wij langskwamen en zagen je niet thuis.
Kom langs voor een kopje thee!
Ik ben al langsgekomen om het te geven.
Ik wil graag langskomen morgen.