Auxiliary verb
hebben
regelmatig werkwoord
'Lenen' kan zowel 'lenen van' (borrow) als 'uitlenen aan' (lend) betekenen, afhankelijk van de context. Let op het voorzetsel om de betekenis te verduidelijken.
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je, u
hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Verleden tijd
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Aanvoegende wijs
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze
Gebiedende wijs
jij / je, u, jullie
Examples
Kun je me je pen lenen? (Can you lend me your pen?)
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Ik heb geld van de bank geleend. (I borrowed money from the bank.)
voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Als ik rijk was, zou ik nooit geld lenen. (If I were rich, I would never borrow money.)
onvoltooid verleden toekomende tijd, voorwaardelijke wijs
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.