Auxiliary verb
hebben
regelmatig werkwoord
Het werkwoord 'lepelen' wordt vaak gebruikt in de context van eten, met name soep of andere vloeibare gerechten.
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we
jullie
Verleden tijd
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het
wij / we, jullie
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Aanvoegende wijs
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie
Gebiedende wijs
Examples
Ik lepel elke dag mijn yoghurt met een lepel.
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Gisteren lepelde zij haar soep heel voorzichtig.
verleden tijd, aantonende wijs
Heb je de soep al helemaal gelepeld?
voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Lepel je bord leeg!
tegenwoordige tijd, gebiedende wijs
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.