Licht
lichten
Verboptillen of legen
- Iets optillen of omhoog brengen.Ze lichtte voorzichtig de hoek van het tapijt op.
- Een brievenbus of kassa legen door alles eruit te halen.De brievenbus wordt twee keer per dag gelicht.
lichten
Verblicht geven
- Licht geven of plotseling licht uitstralen.Zijn ogen lichtten van blijdschap toen hij het cadeau zag.
- Lichter worden, vooral wanneer de dag begint.We vertrekken zodra het begint te lichten.
licht
Adjectiveniet zwaar
- Met weinig gewicht; gemakkelijk om te dragen of te tillen.Pak jij die doos? Hij is heel licht.
- Niet sterk, hevig of ernstig; in geringe mate.Hij had een lichte verkoudheid en bleef thuis.
- Goed te verteren of niet belastend voor het lichaam.Ze drinkt 's avonds graag een licht biertje.
licht
Adjectiveniet donker
- Met veel licht; niet donker of duister.De keuken is heel licht.
- Met een bleke of zachte tint; niet donker van kleur.Welke kleur vind je mooier, de lichtere of de donkere?
hetlicht
Common nounschijnsel om te zien
- Schijnsel van de zon, een lamp of vuur waardoor je dingen kunt zien.Er komt veel licht door dat raam naar binnen.
- Een lamp of andere lichtbron in een ruimte of voertuig.Hij deed alle lichten in huis aan.
- Verkeerslicht dat groen, oranje of rood is.We stonden tien minuten voor het rode licht te wachten.