Ik ga luizen als het weer beter is.
ik
Ik luis.
jij / je
Jij luist heel goed!
u
U luist met veel geduld.
hij, zij / ze, het
Hij luist niet meer kalkoenen.
wij / we
Wij luizen graag in de lente.
jullie
Jullie luizen elke week.
zij / ze
Zij luizen tijdens het seizoen.
Ik luisde de tuin vroeger.
Jij luisde altijd in de zomer.
U luisde ooit veel verschillen.
Hij luisde gedurende de vakantie.
Wij luisden in de klas vorige week.
Jullie luisden het hele jaar.
Zij luisden tijdens de vergadering.
Ik heb geluisd in de zon.
De luizend zeeschildpad zwemt voorbij.
De luizende jongeren hebben veel vragen.
Moge je luize met plezier!
Luis de kamer alsjeblieft.
Luist snel!