Ik leer niet alleen, maar ik manen ook anderen om hard te werken.
Manend bij de deur, wacht ik op mijn vrienden.
Met een manende blik vroeg ze of hij stil moest zijn.
ik
Ik maan je om je best te doen.
jij / je
Jij maant altijd wanneer het tijd is om te vertrekken.
u
U maant de kinderen om beter hun best te doen.
hij
Hij maant zijn vrienden om te helpen.
zij / ze
Zij maant altijd om sneller te werken.
het
Het maant ons om aandachtig te zijn.
wij / we
Wij maant anderen om samen te werken.
jullie
Jullie maant de anderen om mee te doen.
Ik maande hem om op tijd te komen.
Jij maande zijn hulp aan in het verleden.
U maande de organisatie tot verbetering vorig jaar.
Hij maande zijn collega om beter te presteren.
Zij maande haar vrienden om meer te studeren.
Het maande een verandering in de aanpak aan vorige week.
Wij maanden de studenten om eerder te beginnen.
Jullie maanden ons om actie te ondernemen.
Hij heeft zijn raadgeving al gemaand.
Mane dat hij het goed doet in de toekomst.
Maan je vrienden om op tijd te zijn!
Maant jullie de pestkoppen om te stoppen!