NEDERLANDS
🇬🇧

Manicuren

Verb

Auxiliary verb

hebben

zwak werkwoord (regelmatig)

Het werkwoord 'manicuren' wordt voornamelijk gebruikt in de context van nagelverzorging en schoonheidsbehandelingen.

Infinitief

Tegenwoordige tijd

  • ik

  • jij / je

  • u

  • hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

Verleden tijd

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

Voltooid deelwoord

Tegenwoordig deelwoord

Aanvoegende wijs

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze

Gebiedende wijs

  • jij / je, u, jullie

Examples

  • Ik ga mijn nagels laten manicuren bij de nieuwe salon in de stad.

    tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Heb je je nagels al gemanicuurd?

    voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Manicuur jij je nagels zelf of doe je dat liever door een professional?

    tegenwoordige tijd, vragende wijs

  • Als ik tijd had, zou ik mijn nagels elke dag manicuren.

    onvoltooid verleden toekomende tijd, aantonende wijs

I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.