(een boot aan de steiger of kade vastmaken)
We meren de boot aan de steiger voor de nacht.
De kapitein laat het schip meren in de haven.
De visser meert zijn boot aan de meerpaal.
Hij meert de boot vast, want het water is onrustig.
Voordat de storm begint, meert de schipper de boot die hij gisteren heeft gekocht aan de kade.
Gisteren meerden we de boot aan de steiger bij het hotel.
Meer de boot goed vast voordat het donker wordt.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(een schip op een vaste plaats laten stoppen en afmeren)
De trein meren ze op het rangeerterrein.
Hij moest de auto snel meren om het kind te ontwijken.
De veerboot meert om acht uur aan in Vlissingen.
Het cruiseschip meert vandaag in de haven van Rotterdam, en de toeristen gaan aan land.
Omdat de motor uitviel, moesten ze halverwege de tocht meren bij een klein eiland.
(beeldspraak waarbij iemand of iets na omzwervingen ergens 'aanlegt')
De onderhandelingen meren vast op een kritiek punt.
Hij merde zijn carrière aan de wilgen toen hij besloot te stoppen.
Na een onrustig jaar meerde hij eindelijk bij zijn familie.
Pas toen ze een vaste baan vond, meerde haar leven en kwam er rust.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.