Ik ga messen maken voor het diner.
De boer is mestend op zijn akker.
De mestende koeien lopen in de wei.
ik
Ik mes de groenten voor de salade.
jij / je
Jij mest de kippen elke ochtend.
u
U mest de tuin met nieuwe aarde.
hij
Hij mest de stallen elke week.
zij / ze
Zij mest de paarden graag.
het
Het mest goed wanneer het vochtig is.
wij / we
We messen de groenten gezamenlijk voor het feest.
jullie
Jullie mest de tuin met aandacht.
Ik meste de tuin vorige week.
Jij mestte de koeien gisteren.
U mestte de akker heel goed.
Hij mestte de stallen in de ochtend.
Zij mestte de tuin vorig jaar.
Het mestte heel goed tijdens de regen.
Wij mestten de boerderij samen.
Jullie mestten de velden afgelopen seizoen.
De akker is goed gemest.
Ik wens dat je mestte vandaag.
Mes de groenten voor het avondeten!