Ik wil graag leren meuren.
De kat is meurend in de keuken.
De meurende lucht komt uit de oven.
Het huis heeft een sterke geur gemeurd.
De hond is meurend door de wijk.
ik
Ik meurde in de tuin gisteren.
wij / we, jullie, zij / ze
Zij meurden bij het kampvuur tijdens de avond.
Als ik een kok was, zou ik meure met kruiden.
Meur het deeg goed!
Meurt eerst de uien voordat je verder kookt.