(iemand die geen kleren draagt)
Hij liep naakt door de badkamer naar de douche.
De kinderen zwommen naakt in het meertje.
De baby lag naakt op het verschoonkussen.
Op het naaktstrand zonnen mensen graag helemaal naakt.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(over bomen, muren of oppervlakken zonder iets erop)
In de winter staan de bomen naakt in het park.
De naakte muren van het lege huis zagen er koud uit.
De naakte takken zwiepten heen en weer in de storm.
(over feiten of waarheid die hard zijn)
Dit is de naakte waarheid: we hebben geen geld meer.
Hij vertelde haar de naakte feiten zonder iets te verzachten.
Laten we de naakte cijfers eens onder ogen zien.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.