Ik wil de sterren ogen in de nacht.
ik
Ik oog een stuk fruit op de tafel.
jij / je, u
Jij oogt moe vandaag.
hij
Hij oogt gelukkig met zijn nieuwe baan.
zij / ze
Zij oogt als een echte professional.
het
Het boek oogt interessant.
wij / we
Wij ogen naar de toekomst met hoop.
jullie
Jullie ogen absoluut verrast.
Ik oogde niet geïnteresseerd in de film.
Jij oogde verrast door het nieuws.
Hij oogde gespannen voor de presentatie.
Zij oogde trots op haar prestaties.
Wij oogden tevreden na het examen.
Jullie oogden enthousiast over het feestje.
Zij oogden blij bij de aankomst van hun vrienden.
We hebben vandaag veel geoogd in de tuin.
De ogende boom laat zien dat het herfst is.
De ogende kinderen waren verdiept in hun spel.
Het is belangrijk dat hij oge voor zijn gezondheid.
Oog de bloempjes met zorg.
Oogt niet te veel naar de negatieve dingen.