Oogsten
VerbAuxiliary Verb
hebben
werkwoord
Het werkwoord oogsten verwijst naar het verzamelen van rijpe producten, meestal uit de grond of van planten.
Infinitief
Ik heb geleerd hoe ik kan oogsten in de tuin.
Tegenwoordig deelwoord
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie
De boer is oogstend in het veld.
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie
De oogstende boer werkt hard.
Tegenwoordige tijd
ik
Ik oogst groenten voor het diner.
jij / je, u
Jij oogst elk jaar appels in je boomgaard.
hij, zij / ze, het
Hij oogst de rijpe tomaten.
wij / we
Wij oogsten samen in de moestuin.
jullie
Jullie oogsten de bessen met plezier.
Verleden tijd
ik
Ik oogstte de aardappelen vorige week.
jij / je, u
Jij oogstte met je vrienden gisteren.
hij, zij / ze, het
Zij oogstte het graan in september.
wij / we
Wij oogstten vorig jaar veel fruit.
jullie
Jullie oogstten samen mais.
Gebiedende wijs
Oogst de rijpe vruchten vandaag nog!
Aanvoegende wijs
Als ik maar oogste wat ik heb gezaaid!
Voltooid deelwoord
De groenten zijn geoogst door de boer.
Examples
De boer is blij omdat hij veel heeft geoogst.
voltooid, indicatief