NEDERLANDS
🇬🇧

Opdragen

Verb

Auxiliary verb

hebben

overgankelijk werkwoord (heeft een lijdend voorwerp nodig)

Het werkwoord 'opdragen' wordt vaak gebruikt in formele of gezagscontexten, zoals instructies geven, taken toewijzen of verantwoordelijkheden delegeren.

Infinitief

Tegenwoordige tijd

  • ik

  • jij / je

  • u

  • hij, zij / ze, het

  • wij / we

  • jullie

  • zij / ze

  • ik

  • jij / je

Verleden tijd

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

  • ik, hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

Voltooid deelwoord

Tegenwoordig deelwoord

Aanvoegende wijs

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

Gebiedende wijs

Examples

  • Ik draag je op om deze brief te posten.

    tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Hij droeg de kinderen op om hun kamer op te ruimen.

    verleden tijd, aantonende wijs

  • Draag hem op om onmiddellijk te stoppen!

    tegenwoordige tijd, gebiedende wijs

  • De manager heeft de taak aan de medewerker opgedragen.

    voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Het is belangrijk dat je hem opdracht om voorzichtig te zijn.

    tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs

I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.