Infinitief Ik wil oprijden naar het kasteel.
Tegenwoordige tijd ik
Ik oprij langs de snelweg.
jij / je
u
U oprijdt als een professional.
hij
Hij oprijdt met zijn motor.
zij / ze
Zij oprijdt naar de top van de berg.
het
Het rijdt op de juiste tijd.
wij / we
Wij rijden op de snelweg.
jullie
Jullie rijden op goed tempo.
Verleden tijd ik
Ik reed op de fiets naar school.
jij / je
Jij opreed naar het evenement.
u
hij
zij / ze
Zij opreed naar het festival.
het
Het reden op de beste wegen.
wij / we
jullie
Jullie reden op volle snelheid.
Voltooid deelwoord Ik ben opgereden naar het station.
Tegenwoordig deelwoord De oprijdende auto klinkt hard.
De oprijdende trein komt eraan.
Aanvoegende wijs Rijde op een veilige manier.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.