Ik wil oprijden naar het kasteel.
ik
Ik oprij langs de snelweg.
jij / je
Jij oprijdt heel snel.
u
U oprijdt als een professional.
hij
Hij oprijdt met zijn motor.
zij / ze
Zij oprijdt naar de top van de berg.
het
Het rijdt op de juiste tijd.
wij / we
Wij rijden op de snelweg.
jullie
Jullie rijden op goed tempo.
Ik reed op de fiets naar school.
Jij opreed naar het evenement.
U opreed met de auto.
Hij opreed als winnaar.
Zij opreed naar het festival.
Het reden op de beste wegen.
Wij reden op tijd.
Jullie reden op volle snelheid.
Ik ben opgereden naar het station.
De oprijdende auto klinkt hard.
De oprijdende trein komt eraan.
Oprijde als je dat wilt.
Rijde op een veilige manier.
Rijd op de juiste weg!
Rijdt op tijd!
Rij op in het verkeer.