NEDERLANDS
🇬🇧

    Passeren

    A2commonZipf 3.8

    werkwoord

    • passeren

      Verb/pɑ'serən; pɑ'serə/

      infinitief

      passeren

      tegenwoordige tijd

      passeerpasseertpasseren

      verleden tijd

      passeerdepasseerden

      tegenwoordig deelwoord

      passerendpasserende

    Create a free account to generate the full entry for this word.

    Free. No password.