Passeren
passeren
Verbvoorbijgaan; inhalen
voorbijgaan/voorbijrijden
Langs iets of iemand heen gaan of rijden; ook gebruikt voor tijd die voorbijgaat.
De trein passeerde het station zonder te stoppen.
inhalen/overtreffen
Iemand of iets sneller passeren, bijvoorbeeld in het verkeer of in een wedstrijd.
Op de autoweg passeert de rode auto de vrachtwagen.
formeel/bekrachtigen
Een officiële akte of document door een notaris laten tekenen en geldig maken.
De notaris passeerde de koopakte.
een auto passeertiemand passerenhet station passerende tijd passeerteen vrachtwagen passeren