Ik wil niet pijnen aan het einde van de dag.
De pijnend gevoel in mijn rug houdt me wakker.
De pijnende spieren maken het moeilijk om te bewegen.
Ik heb de afgelopen weken veel gepijnd door de hoofd pijn.
ik
Ik pijn in mijn arm.
jij / je, u
Jij pijn in je knie tijdens het sporten.
hij, zij / ze, het
Het pijnt echt als ik dit doe.
wij / we
Wij pijnen soms als we teveel zitten.
jullie
Jullie pijnen ook als je deze oefening te veel doet.
Gisteren pijnde mijn hoofd heel erg.
Jij pijnde ook na de lange rit.
Zij pijnde de hele dag door de kou.
Wij pijnden na de zware training.
Jullie pijnden tijdens de marathon.
Als het pijn doet, pijne niet.
Pijn het niet te veel, neem een pauze!