Ik wil leren pozen voor de camera.
Ik zie de kinderen pozend in de tuin.
Hij is pozende op het podium.
ik
Ik poos regelmatig om te ontspannen.
jij / je, u
Jij poost altijd interessante foto's.
wij / we, jullie, zij / ze, hij, het
Zij pozen voor de camera.
Ik poosde vroeger altijd voor de klas.
Jij poosde als kind vaak in het park.
hij, zij / ze, het
Hij poosde in de zomermaanden.
wij / we, jullie, zij / ze
Wij poosden samen bij het strand.
Ik heb gepoosd voor mijn vrienden.
Het is belangrijk dat je poze voor de foto.
Poos nu voor het schilderij!
Poost niet te lang en kijk naar de camera!