Ik wil leren puren.
De chef-kok is purend in de keuken.
Terwijl hij purende, kwam er een lekker gerecht tot stand.
ik
Ik puur de aardappelen.
jij / je
Jij puurt altijd zo lekker.
u
U puurt het fruit heel goed.
hij
Hij puurt de groenten met precisie.
zij / ze
Zij puurt de appels voor de taart.
het
Het puurt nog niet genoeg.
wij / we
Wij puur de groenten samen.
jullie
Jullie puurt de ingrediënten perfect.
Ik puurde de groenten gisteren.
Jij puurde een hele pot appelmoes.
U puurde het fruit voor de sap.
Hij puurde met veel geduld.
Zij puurde de knolselderij in dunne plakjes.
Wij puurden samen de groenten vorig jaar.
Jullie puurden de peren voor de maaktijd.
De groenten zijn gepuurd voor de soep.
Ik hoop dat je pure aardappelen gebruikt.
Puur het fruit voor de smoothie!
Puurt de aardappelen goed!