Auxiliary verb hebben
werkwoord
Dit werkwoord beschrijft een competitieve vorm van snel vervoer.
Infinitief Ik vind het leuk om te racen.
Tegenwoordig deelwoord De auto is racend over het circuit.
De racende voertuigen zijn luid en snel.
Voltooid deelwoord Ik heb gisteren geracet met vrienden.
Tegenwoordige tijd ik
jij / je
Jij racet altijd zo snel!
u
U racet nu op het circuit.
hij
Hij racet in de kampioenschappen.
zij / ze
Zij racet met haar vrienden.
het
Het racet als een echte kampioen.
wij / we
Wij racen samen naar de finish.
jullie
Jullie racen met de nieuwste auto's.
Verleden tijd ik
Ik racete gisteren met een vriend.
jij / je
Jij racete in het verleden ook veel.
u
U racete vorig jaar in de competitie.
hij
Hij racete tegen de beste coureurs.
zij / ze
Zij racete met de hele groep.
wij / we
Wij raceten samen naar de finishlijn.
jullie
Jullie raceten ieder weekend.
zij / ze
Zij raceten en wonnen de wedstrijd.
Gebiedende wijs Race snel naar de finish!
Aanvoegende wijs Het zou fijn zijn als je racet in de wedstrijd.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.