NEDERLANDS
🇬🇧

Randen

Verb

Auxiliary verb

hebben

overgankelijk werkwoord

Het werkwoord 'randen' wordt voornamelijk gebruikt in de context van tuinieren, landschapsarchitectuur of decoratie, waarbij iets wordt afgezet of omlijnd met een rand.

Infinitief

Tegenwoordige tijd

  • ik

  • jij / je, u, hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

Verleden tijd

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

Voltooid deelwoord

Tegenwoordig deelwoord

Aanvoegende wijs

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze

Gebiedende wijs

  • jij / je, u, jullie

Examples

  • Ik rand de bloembedden met houtsnippers om onkruid tegen te houden.

    tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Vorige zomer hebben we de tuin gerand met witte stenen.

    voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Rand jij de border even af met deze planten?

    tegenwoordige tijd, gebiedende wijs

  • Als hij de tuin rande, zou het er veel netter uitzien.

    onvoltooid verleden toekomende tijd, aanvoegende wijs

I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.