Ik wil rijten leren. Het is een belangrijk werkwoord in het Nederlands.
De student is rijtend bezig met zijn werk.
Het rijtende boekje trekt veel aandacht.
ik
Ik rijt de bladeren van de plant.
jij / je, u
Jij rijt de stof met een scherpe schaar.
hij, zij / ze, het
Hij rijt het papier voorzichtig.
wij / we, jullie
Wij rijten het hout in stukken.
Ik reet de koffer open.
Jij reet de dozen uit elkaar.
Hij reet het oude papier in stukken.
Wij reten de wedstrijd om ons te kwalificeren.
De stof is gereten voor het project.
Rijt de film op tijd af!
Ik hoop dat hij rijte wat hij beloofd heeft.