Ik wil leren hoe ik goed kan risten.
Hij is ristend sinds het begin van de les.
Zij zag de ristende mensen in het park.
ik
Ik risten vaak als ik jonger was.
jij / je, u
Jij riste met veel plezier.
hij, zij / ze, het
Hij risted het hele weekend.
wij / we, jullie
Wij risten samen voor het evenement.
Ik ristte gisteren een mooie afbeelding.
Jij ristte de hele middag.
Hij ristte elke zondag goed door.
Wij ristten in het verleden altijd samen.
Ik heb al gerist voor de wedstrijd.
Als ik kon, riste ik elke dag.
Rist nu en maak geen fouten!