Ik wil graag ruiten schoonmaken.
De ruitend stukjes in de krant zijn interessant.
Een ruitende tuinman werkt hard aan de planten.
Het raam is goed geruit voor de winter.
ik
Ik ruit elke week de ramen.
jij / je, u
Ruit je de ramen vandaag?
hij, zij / ze, het
Hij ruit altijd zijn huis goed.
wij / we, jullie
Wij ruiten de ramen samen.
Ik ruitte de ramen gisteren.
Ruitte je de ramen al?
Zij ruitte de ramen eerder.
Wij ruitten de ramen dit weekend.
Laat hij de ruiten ruiter, zo willen wij het graag.
Ruit de ramen goed voor het feestje!