Ik wil leren hoe ik moet ruiven.
Hij is ruivend op de boerderij.
Zij is een ruivende boer.
ik
Ik ruif het gras goed.
jij / je
Jij ruift de wijngaarden vandaag.
u
U ruift de oogst met zorg.
hij
Hij ruift elke dag in de zon.
zij / ze
Zij ruift met passie.
het
Het ruift mooi in de tuin.
wij / we
Wij ruiven altijd in de herfst.
jullie
Jullie ruiven de bessen samen.
Ik ruifde het afgelopen jaar veel fruit.
Je ruifde eerder deze week.
U ruifde gisteren nog goed.
Hij ruifde de velden vroeger.
Zij ruifden samen in het verleden.
Wij ruifden met de hele familie.
Jullie ruifden het gras voor het feest.
Het gras is al geruifd.
Als je zou ruive, zou het beter zijn.
Ruif het gras nu!
Ruift het gras goed alsjeblieft.