Schamen
Auxiliary verb
hebben
reflexief werkwoord (altijd met 'zich')
Dit werkwoord drukt een gevoel van schaamte of gêne uit, vaak gerelateerd aan sociale situaties of persoonlijke fouten.
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Verleden tijd
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Aanvoegende wijs
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze
Gebiedende wijs
jij / je, u, jullie
Examples
Ik schaam me als ik een fout maak in het Nederlands.
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Hij schaamde zich toen hij de verkeerde weg nam.
verleden tijd, aantonende wijs
Wij hebben ons geschaamd voor ons gedrag op het feest.
voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Schaam je je niet voor die leugen?
tegenwoordige tijd, vragende wijs
Men hoopt dat zij zich schame voor haar woorden.
tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.