Schatje
hetCommon Nounjonger of liefdevol aanspreekvorm voor iemand die men lief vindt
(men noemt een kind of partner schatje)
Kom hier, schatje, ik heb je gemist!
Goedemorgen, schatje, heb je lekker geslapen?
- Compound
Het regent buiten schatje, dus neem een paraplu mee en doe een jas aan.
- Past Tense
Toen ik jonger was, noemde mijn moeder me altijd 'klein schatje'.
- Interrogative
Schatje, wil je met me naar de film?
- Context & Scenario
Elke ochtend begroet ik mijn kleine schatje met een glimlach.
- Synonym
Zachtjes fluisterde ik zijn koosnaam - mijn geliefde.
- Complex
Schatje, hoewel je vanavond laat terugkomt, zal ik op je wachten met een warme kop thee.
- Future Tense
Ik zal je schatje noemen, zelfs als we oud en grijs zijn.
- Imperative
Kom hier, schatje, en geef me een knuffel!
- Context & Scenario
Tijdens het feestje noemde ik mijn partner schatje.
- Idiomatic
Elke avond, als de zon ondergaat, fluister ik 'dag, schatje' naar mijn partner.
- Simple
Dag, schatje, hoe was je dag?
- Present Tense
Mijn schatje loopt altijd vrolijk door het park.
- Declarative
Kijk eens, schatje, die mooie bloemen in de tuin.
- Context & Scenario
Mijn werkdag begint pas goed als mijn schatje me een kus geeft.
- Related Word
Ik zag mijn partner en zei: "Liefste, wat een mooie dag!"
liefkozende aanduiding voor een geliefde persoon
(iemand noemt zijn partner een schatje)
Ze gaf haar vriend een kus en noemde hem schatje.
Haar dochter is haar schatje en ze verwent haar graag.
- Compound
Hij houdt van haar, en daarom noemt hij haar graag schatje.
- Present Tense
Zij noemt haar vriend altijd schatje, vooral als ze blij is.
- Declarative
Ze noemen elkaar schatje.
- Context & Scenario
Elke ochtend noemt hij haar schatje voor hij naar zijn werk gaat.
- Synonym
Haar lieveling wordt altijd schatje genoemd.
- Simple
Hij fluistert zacht haar naam en noemt haar zijn schatje.
- Future Tense
Zij zal hem later schatje noemen als hij slaagt voor zijn examen.
- Imperative
Noem hem eens schatje!
- Context & Scenario
Tijdens het etentje noemen ze elkaar schatje.
- Idiomatic
In goede aarde vallen, noemt zij hem soms schatje uit liefde.
- Complex
Hoewel hij niet altijd zijn emoties toont, noemt hij haar vaak schatje als ze samen zijn.
- Past Tense
Hij noemde zijn oma altijd schatje toen ze nog leefde.
- Interrogative
Waarom noemt hij haar schatje?
- Context & Scenario
Ze schrijft op school een brief aan haar schatje.
- Related Word
Ze gebruiken vaak woorden van genegenheid, zoals schatje.
verkleinwoord van schat, bij jonge kinderen of dieren
(kinderen of dieren worden schatje genoemd)
Kijk naar die schatjes, ze spelen samen in de tuin.
De puppy is zo'n schatje met zijn grote ogen.
- Compound
Hij kocht een nieuw speeltje voor de kat, en zij vond het een schatje.
- Present Tense
De kinderen spelen met hun favoriete schatjes in de zandbak.
- Declarative
Dat poesje is echt een schatje.
- Interrogative
Is dat kleine eendje geen schatje?
- Context & Scenario
In de speeltuin zag ik veel schatjes spelen.
- Context & Scenario
Op het feest werden alle puppies als schatjes behandeld.
- Idiomatic
Ze vond de puppy's zo snoezig dat ze glimlachte van oor tot oor.
- Simple
Waar zijn alle schatjes gebleven?
- Past Tense
Gisteren zag ik een schatje in het park.
- Future Tense
Morgen krijgen we bezoek van dat schatje met de krullen.
- Imperative
Kijk naar dat schatje!
- Context & Scenario
Tijdens de les praatte de juf over schatjes in haar familie.
- Related Word
Het schatje heeft grote oren.
- Complex
Toen ze de kleine kittens zag, zei ze dat elk van hen een schatje was.
- Synonym
Die kitten is echt een lieverd.
jonger of informeel, voor een vriendelijk persoon
(iemand die behulpzaam of aardig is wordt schatje genoemd)
Dank je wel voor je hulp, je bent echt een schatje!
Wat een schatje dat hij al die boodschappen voor ons draagt.
- Complex
Omdat ze altijd glimlacht en vriendelijk groet, noemen de buren haar een schatje.
- Future Tense
Ze zal een schatje zijn als ze helpt met de voorbereidingen voor het feest.
- Declarative
Ze is altijd een schatje voor iedereen.
- Declarative
Hij is een schatje omdat hij elke ochtend de honden uitlaat.
- Declarative
De chef noemde zijn assistent een schatje toen die overuren maakte.
- Declarative
Omdat hij altijd vriendelijk is, noem ik hem een schatje.
- Related Word
Ze is een vriendelijk persoon, en daardoor een echt schatje.
- Simple
Wat een schatje dat je koffie voor ons hebt gemaakt!
- Past Tense
Hij was een schatje toen hij me gisteren verraste met bloemen.
- Imperative
Wees een schatje en maak het raam even open!
- Declarative
Dat meisje bij de receptie is echt een schatje.
- Declarative
Het is vriendelijk van hem om altijd een schatje te zijn.
- Context & Scenario
In de Nederlandse cultuur noemen we iemand een schatje als ze warmte en vriendelijkheid uitstralen.
- Idiomatic
Ze is iemand die altijd bereid is te helpen, echt het zonnetje in huis.
- Compound
Hij hielp me met mijn huiswerk, dus ik noemde hem een schatje, en hij lachte.
- Present Tense
Jij bent een schatje voor het ophalen van de kinderen.
- Interrogative
Ben je een schatje als je meel voor me koopt?
- Imperative
Maak je huiswerk, wees een schatje en laat je ouders trots zijn.
- Declarative
Wat aardig van hem om al die plannen te maken; hij is echt een schatje.
- Synonym
Mijn collega is zo'n vriendelijke persoonlijkheid, hij is echt een schatje.