Ik wil schreeuwen, maar ik moet schellen.
Hij is schellend in de hal; dat is erg luid.
De schellende bel doet iedereen opstaan.
Zij heeft veel gescheld voordat ze zich kalmeerde.
ik
Ik schel graag met mijn vrienden.
jij / je
Jij schellen heel hard als je enthousiast bent.
u
U schelt vaak als u gefrustreerd bent.
hij
Hij schelt tegen de hond als deze niet luistert.
zij / ze
Zij schelt nooit; ze is altijd vriendelijk.
het
Het schelt als een fietsband leeg is.
wij / we
Wij schellen samen tijdens de wedstrijd.
jullie
Jullie schelten samen in het park.
Ik schelde gisteren veel met mijn vrienden.
Jij schelden toen je teleurgesteld was.
U schelden tijdens het gesprek, dat was ongepast.
Hij schelde tijdens de wedstrijd.
Zij schelden als ze boos waren.
Het schelde bij het ongeluk.
Wij schelden samen van frustratie.
Jullie schelden vorige week in de klas.
Als ik maar schelle, dan komt dat goed.
Schel als je de bel hoort!
Schelt nu die hond niet aan!