Ik wil de stoelen schikken voor het feest.
Zij is schikkend met de indeling van de klas.
Wij zijn schikkende vrienden, altijd behulpzaam.
ik
Ik schik de bloemen in de vaas.
jij / je
Jij schikt alles altijd perfect.
u
U schikt het document voor de vergadering.
hij
Hij schikt de meubels in zijn kamer.
zij / ze
Zij schikt de kleuren in haar schilderij.
het
Het schikt zich goed in de groep.
wij / we
Wij schikken onze agenda's om de afspraak.
jullie
Jullie schikken goed in de dansgroep.
Ik schikte de papieren op mijn bureau.
Jij schikte de vissen in de kom.
U schikte alles netjes voor de gasten.
Hij schikte zijn kleren in de kast.
Zij schikte de foto's in een album.
Wij schikten de stoelen voor het evenement.
Jullie schikten de berichten in volgorde.
Zij schikten de documenten in de mapping.
De cursus is geschikt voor beginners.
Schik de tafels voor het diner!
Schikt u de kamer voor de gasten!
Ik hoop dat ik goed schikke voor dit project.