🇬🇧

Simuleren

Auxiliary verb

hebben

regelmatig werkwoord (zwak werkwoord)

Het werkwoord 'simuleren' wordt vaak gebruikt in contexten van training, onderwijs, wetenschap, of situaties waarin iets nagebootst wordt, zoals computersimulaties, rollenspelen, of het nabootsen van gedrag.

Infinitief

Tegenwoordige tijd

  • ik

  • jij / je, u

  • u

  • hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

Verleden tijd

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

Voltooid deelwoord

Tegenwoordig deelwoord

Aanvoegende wijs

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze

Gebiedende wijs

  • jij / je, u, jullie

Examples

  • De piloot oefent in een vluchtsimulator die elke noodsituatie **simuleert**.

    tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Vorig jaar **simuleerden** we een aardbeving om de evacuatieprocedure te testen.

    verleden tijd, aantonende wijs

  • Het is belangrijk dat je de test **simulere** voordat je hem maakt.

    tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs

  • **Simuleer** de presentatie een paar keer, zodat je zeker weet dat alles goed gaat.

    tegenwoordige tijd, gebiedende wijs

  • De wetenschappers hebben het effect van klimaatverandering **gesimuleerd** met een computermodel.

    voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs

I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.