Slager
deCommon Nounpersoon die vlees verkoopt of slacht
(de slager in de winkel)
De slager snijdt het vlees precies zoals ik het wil.
Iedere zaterdag koop ik mijn vlees bij de slager om de hoek.
- Complex
Wanneer je naar de voedselverkoop gaat, moet je altijd naar vers vlees vragen.
- Past Tense
Gisteren kocht ik varkensvlees bij de voedselverkoop.
- Interrogative
Waar bevindt de voedselverkoop zich in de stad?
- Simple
De voedselverkoop is cruciaal voor de lokale economie.
- Future Tense
Morgen zal ik weer vlees kopen bij de voedselverkoop.
- Imperative
Koop je vlees bij de voedselverkoop!
- Compound
De voedselverkoop is belangrijk, en de klanten waarderen de kwaliteit van het vlees.
- Present Tense
Ik koop altijd vers vlees van de voedselverkoop.
- Declarative
De voedselverkoop heeft de beste aanbiedingen in de stad.
- Context & Scenario
Ik ga elke week naar de voedselverkoop om vlees te kopen.
persoon die in de vleesverwerking werkt, zoals het slachten van dieren
(de slager in een slachterij)
Het werk van een slager vereist veel kennis en vaardigheid.
De slager werkt hard om alles op tijd klaar te hebben voor de markt.
- Complex
De slager, die al jaren ervaring heeft, kent alle technieken van de vleesverwerking.
- Future Tense
De slager zal morgen vroeg beginnen met het slachten van de dieren.
- Imperative
Snijd het vlees niet te dun!
- Context & Scenario
Tijdens een barbecue leert de slager hoe je vlees het beste kunt bereiden.
- Idiomatic
De slager is het hart van de lokale voedselgemeenschap.
- Compound
De slager is druk bezig, maar hij vindt het leuk om te doen.
- Past Tense
De slager heeft het vlees gisteren gesneden.
- Interrogative
Werkt de slager ook op zondag?
- Context & Scenario
Tijdens de kookles vertelt de slager over vleesverwerking.
- Related Word
De vleesverwerker draagt altijd een beschermend schort.
- Simple
Een slager werkt met verschillende soorten vlees.
- Present Tense
De slager snijdt het vlees zorgvuldig.
- Declarative
De slager maakt kwaliteitsvlees voor lokale restaurants.
- Context & Scenario
Na de training leert de slager alles over vleesverwerking.
- Synonym
De butcher, die ook slager is, levert dagelijks vers vlees.
diminutief voor een kleine of schattige slager
(een slagertje in de kindertaal)
Het slagertje vroeg weer om een stukje vlees voor zijn knuffeldier.
In het spel was het slagertje de held die het vlees bezorgde.
- Compound
Het dalletje is klein, maar het heeft een mooi uitzicht.
- Past Tense
Ik zag een schattig dalletje toen ik gisteren wandelde.
- Imperative
Kijk naar dat dalletje!
- Complex
Het dalletje, dat tussen de bergen ligt, lijkt op een sprookje.
- Future Tense
Ik zal morgen een schattig dalletje bezoeken.
- Interrogative
Is dat dalletje nieuw?
- Context & Scenario
We wandelen vaak door het dalletje in onze buurt.
- Simple
Het dalletje is erg schattig.
- Present Tense
Ik zie een schattig dalletje in de verte.
- Declarative
Het is een mooi dalletje.