Ik wil een keer smulpapen met mijn vrienden.
De kinderen zijn smulpapend aan het spelen.
De smulpapende kinderen horen de muziek niet.
We hebben vandaag gesmulpaapt tijdens het feest.
ik
Ik smulpaap van de lekkernijen.
jij / je
Jij smulpaapt als je deze taart proeft.
u
U smulpaapt van de voorgerechten.
hij
Hij smulpaapt graag van het diner.
zij / ze
Zij smulpaapt van alles wat zoet is.
het
Het kind smulpaapt van het ijs.
wij / we
Wij smulpaapten samen op het feest.
jullie
Jullie smulpaapten van de BBQ.
Ik smulpaapte van die heerlijke koekjes in de keuken.
Jij smulpaapte altijd van de zomerfruit.
U smulpaapte van de delicate smaken.
Hij smulpaapte gisteren bij het diner.
Zij smulpaapte met haar vriendinnen.
Het kindje smulpaapte van de snoepjes.
Wij smulpaapten van het buffet.
Jullie smulpaapten gisteren tijdens het feest.
Ik hoop dat jij smulpape tijdens het uitje.
Smulpaap van het dessert!