Auxiliary verb
hebben
onovergankelijk werkwoord
Het werkwoord 'snotteren' wordt vaak gebruikt om een lichte verkoudheid of een loopneus te beschrijven, meestal in een informele of alledaagse context.
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je, u, hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Verleden tijd
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Aanvoegende wijs
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze
Gebiedende wijs
Examples
Ik snotter omdat ik verkouden ben.
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Hij heeft de hele dag gesnotterd.
voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Snotter niet zo!
tegenwoordige tijd, gebiedende wijs
Zij snotterde gisteren tijdens de les.
verleden tijd, aantonende wijs
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.