Ik wil leren stippen.
Zij is stippend bezig met haar tekening.
Wij zien de stippende kunstenaar in actie.
ik
Ik stip de lijnen van de tekening.
jij / je
Jij stipt met een onzichtbare pen.
u
U stipt de juiste antwoorden aan.
hij
Hij stippt zijn aantekeningen.
zij / ze
Zij stipt de belangrijke woorden in de tekst.
het
Het boek stipt de belangrijkste thema's aan.
wij / we
Wij stippen de verschillende kleuren op het papier.
jullie
Jullie stippen samen een ontwerp.
Ik stipte de contouren in de vorige les.
Jij stipte de figuren netjes.
U stipte in de afgelopen week alle details aan.
Hij stipte in zijn schets.
Zij stipte de stippen met verschillende kleuren.
Het project stipte veel belangrijke ideeën aan.
Wij stipten de lijnen samen.
Jullie stipten de ontwerpen in het verleden.
De lijnen zijn gestipt voor het schilderij.
Ik hoop dat je stippe met je tekenen.
Stip de belangrijkste details aan!