Ik wil graag leren hoe te suizen.
De bladeren waren suizend in de wind.
De suizende lucht maakte het moeilijk om te horen.
Ik heb nog nooit zo hard gesuisd als vandaag.
ik
Ik suis als ik achter de fiets aan loop.
jij / je
Jij suist nu heel hard door het huis.
u
U suist met veel enthousiasme.
hij
Hij suist altijd als hij blij is.
zij / ze
Zij suist vrolijk door de straat.
het
Het suist in de bomen als het waait.
wij / we
Wij suizen samen als een team.
jullie
Jullie suizen over de snelweg.
Ik suisde vorig jaar nog op de fiets.
Jij suisde hard vorig weekend.
U suisde met veel plezier tijdens de wedstrijd.
Hij suisde door het park.
Zij suisde blij langs de rivier.
Het suiste door het open raam.
Wij suisden samen naar het feest.
Jullie suisden de hele weg.
Laten we hopen dat hij suize als een muzikant.
Suis snel terug naar huis!