Infinitief Ik hou ervan om te surfen op de oceaan.
Tegenwoordig deelwoord Zij zijn surfend op de golven.
De surfende jongeren genieten van de zomer.
Tegenwoordige tijd ik
Ik surf graag op het strand.
jij / je
u
hij
zij / ze
Zij surft met haar vrienden.
het
Het surft goed door de golven.
wij / we
Wij surfen samen deze zomer.
jullie
Jullie surfen met veel plezier.
Verleden tijd ik
Ik surfde op de golven tijdens mijn vakantie.
jij / je
Surfde je ook in dat seizoen?
u
hij
Hij surfte in de verkoelende zee.
zij / ze
Zij surfte voordat het gaat regenen.
het
wij / we
Wij surften op die mooie dag.
jullie
Jullie surften samen en hadden veel lol.
Voltooid deelwoord Ik heb deze zomer veel gesurfd.
Aanvoegende wijs Als jij maar surfend het einde haalt.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.