Ik wil tassen kopen.
Zij vinden het leuk om tassen te maken.
ik
Ik tas de spullen in de zak.
jij / je
Jij tast de boeken af om een goede te kiezen.
u
U tast in het donker naar het licht.
hij
Hij tast voorzichtig aan de muur.
zij / ze
Zij tast naar haar telefoon in haar tas.
het
Het tast voorzichtig naar de juiste keuze.
wij / we
Wij tasten met onze handen in de zakken.
jullie
Jullie tasten naar de oplossing van het probleem.
Ik taste de grond in het donker.
Jij taste naar iets dat niet meer daar is.
U taste rustig het terrein af.
Hij taste naar de vorige pagina.
Zij tasten naar de juiste beslissing.
Wij tasten in de lucht naar antwoorden.
Jullie tasten in de zakken van de jassen.
Zij heeft overal getast.
Met tassende handen zocht hij naar de sleutels.
Hij liep tassend de straat op.
Ik hoop dat je tassen kunt maken.
Tas de spullen in, alsjeblieft!
Tast niet zo hard aan dat boek!