Ik wil graag torenen in de lucht.
De torenende kraan bouwt het nieuwe bedrijfspand.
De torenende vogels vliegen luidkeels over het veld.
ik
Ik toren elke ochtend aan de klus.
jij / je, u
Jij torent over de rest, iedereen kijkt naar jou.
hij, zij / ze, het
Zij torent boven de mensenmassa uit.
wij / we, jullie
Wij torenen samen aan het project.
Ik torende gisteren over de rest.
Jij torende heel trots na de wedstrijd.
Hij torende absoluut boven zijn tegenstanders.
Wij torenden op dat moment samen.
De muren zijn al getorend voor de verbouwing.
Toren hoger dan de rest!
jullie
Torent boven de rest uit, allemaal!
Laten we hopen dat hij torene in de toekomst.