NEDERLANDS
🇬🇧

Tronen

Verb

Auxiliary verb

hebben

onovergankelijk werkwoord, vaak figuurlijk gebruikt

Het werkwoord 'tronen' wordt vaak figuurlijk gebruikt om aan te geven dat iemand een dominante of centrale positie inneemt, niet alleen letterlijk op een troon zitten.

Infinitief

Tegenwoordige tijd

  • ik

  • jij / je

  • u

  • hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

Verleden tijd

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

Voltooid deelwoord

Tegenwoordig deelwoord

Aanvoegende wijs

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze

Gebiedende wijs

  • jij / je, u, jullie

Examples

  • De koning troont elk jaar tijdens Prinsjesdag.

    tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Vroeger troonde de koningin altijd op deze plek.

    verleden tijd, aantonende wijs

  • Hij heeft jarenlang getroond als directeur van het bedrijf.

    voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Troon maar lekker op de bank, ik ruim wel op!

    tegenwoordige tijd, gebiedende wijs

  • De tronende koning keek uit over zijn rijk.

    tegenwoordige tijd, onvoltooid deelwoord

I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.