NEDERLANDS
🇬🇧

Trossen

Verb

Auxiliary verb

hebben

Trossen is een regelmatig werkwoord dat voornamelijk in de scheepvaart wordt gebruikt om aan te geven dat een schip of boot wordt vastgemaakt met een tros (touw).

Het werkwoord wordt vaak gebruikt in contexten gerelateerd aan varen, scheepvaart of maritieme activiteiten. Het kan ook figuurlijk gebruikt worden om aan te geven dat iets stevig wordt vastgemaakt of verbonden.

Infinitief

Tegenwoordige tijd

  • ik

  • jij / je, u

  • hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

Verleden tijd

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

Voltooid deelwoord

Tegenwoordig deelwoord

Aanvoegende wijs

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze

Gebiedende wijs

  • jij / je, u, jullie

Examples

  • Ik tros de boot elke ochtend vast.

    tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Hij heeft het schip gisteren getrost.

    voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Tros de boot goed vast voordat je weggaat!

    tegenwoordige tijd, gebiedende wijs

  • Het is noodzakelijk dat wij de schepen trossen voordat de storm losbarst.

    tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs

I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.