Auxiliary verb
hebben
onregelmatig werkwoord, vaak gebruikt in context van fysieke reacties of uitbarstingen (bijv. ziekte, emoties)
Het werkwoord 'uitbraken' wordt vaak gebruikt om het overgeven of het plotseling beginnen van iets (zoals een ziekte of conflict) te beschrijven.
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we
jullie
Verleden tijd
ik
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we
jullie
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Aanvoegende wijs
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie
Gebiedende wijs
jij / je, u, jullie
Examples
De patiënt braakt uit na de operatie.
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Gisteren braakte hij uit na het eten van te veel snoep.
verleden tijd, aantonende wijs
Het is belangrijk dat de ziekte niet uitbreekt in de stad.
tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs
Braak uit als je je niet goed voelt!
tegenwoordige tijd, gebiedende wijs
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.