Om te vaderen moet je eerst goed begrijpen wat het betekent.
De vaderende man speelde met zijn kinderen in de speeltuin.
De vaderende ouder las een boek voor aan zijn kinderen.
ik
Ik vader altijd met veel liefde.
jij / je, u
Jij vaderen op een geweldige manier!
hij, zij / ze, het
Hij vadert zoals zijn vader deed.
wij / we
Wij vaderen samen met veel geduld.
jullie
Jullie vaderen allebei heel goed.
Ik vaderde vroeger met veel toewijding.
Jij vaderde heel anders dan ik.
Hij vaderde als een echte professional.
Wij vaderden samen toen de kinderen klein waren.
Jullie vaderden vroeger als team.
Hij heeft altijd gevaderd met veel liefde.
Moge jij altijd kunnen vadere zoals je wilt.
Vader nu met alle liefde!
Vadert goed als een team!